INTENTIENOTA

#1 IN EUROPE (1947−1989)

Gigantisme haalt zijn kracht uit een unieke persoonlijke ingesteldheid die na de Tweede Wereldoorlog het moderne Europa mee vorm heeft gegeven.

Deze culturele, artistieke historiek is deels te danken aan het samensmelten van kunst en industrie, wat aan de technieken, processen en ideeën nieuwe kansen gaf. Dit levend erfgoed, waarover bitter weinig geschreven is, vraagt dat wij het grijpen en begrijpen. Begrijpen hoe deze Westerse moderniteit tot stand is gekomen, gevormd is en verspreid, laat ons toe om de inzet te grijpen. De evolutie van de beweging in kaart brengen zorgt ervoor dat we genuanceerder kunnen kijken naar de tegenstelling tussen globalisatie en nationalisme, dat we met de nodige recul kunnen kijken naar het dilemma tussen vooruitgang en onthaasten. Het scharniermoment – het jaar met de twee gezichten – het jaar van Janus – is volgens heel wat historici het jaar 1947. Op dat ogenblik woedt een existentiële crisis zonder voorgaande. Wat wij altijd als onze basis hebben aanzien, ons humanisme en zijn waarden, heeft in de zwarte jaren van de oorlog een gigantische deuk gekregen. De “nationale identiteiten” zijn ook in de wereld van de kunst, in het intellectuele, sociale en economische leven een belangrijke rol gaan spelen vanaf de jaren 40. Het was de sprankel waarop het toekomstige zelfvertrouwen was gebaseerd.

Vanaf halverwege de jaren 50 en nog veel sneller in de jaren 60 ontstaat in recordtempo een nieuwe maatschappij, eentje die erop gericht is om vanaf nu zonder conflicten en zonder crisis samen te gaan. In recordtempo wordt een handelsmerk van het gigantisme. Grondstoffen worden bovengehaald, energie is de nieuwe god – steenkool en staal, petroleum en elektriciteit, kernenergie… het is de nieuwe industriële macht en de politiek antwoordt met een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Dit heeft een enorme impact op hoe wij kijken naar de ruimte en gigantische constructies duiken op in landelijk gebied, aan de kusten en in de steden. De schaal wordt verlegd, er wordt zelfs gekeken naar de ruimte die zich buiten onze aarde bevindt. En in de kunst verlaat men het veilige kader van het canvas of de sokkel voor nieuwe vormen. De nieuwe werken ontstaan door samenwerkingen tussen kunstenaars, ingenieurs en architecten. Je zou in veel gevallen kunnen spreken van land-art – simultaan ontstaan als de bekendere Noord-Amerikaanse land-art. Technieken die voordien voorbehouden waren voor de constructie doen hun intrede: lastechnieken, assemblage, stapelen, het (her)stijlen, … Deze samenwerkingen maken deel uit van een nieuwe cultuur. De industriële manier van werken en de kunst gaan hand in hand en houden dit vol tot de shock van de oliecrisis van de jaren 70, als plots de niet-te-stoppen vooruitgang tot stilstand komt.

De vooruitgang is merkbaar in het leven van elke dag van de Europeaan, een nieuwe levenskwaliteit biedt zich aan, die de productie, de keuzemogelijkheden en de alledaagse voorwerpen op sleeptouw nemen. Luxegoederen zoals auto’s, elektrische huishoudtoestellen komen binnen handbereik. Consumptiegoederen worden aangeprezen in salons, worden besproken in de media, er wordt over gefilosofeerd door de intellectuelen. Wat zeldzaam en uniek was, wordt gemeen goed. En dus herhaalt de Franse abstracte kunst motiefjes in een oneindige mars. Het gigantisme loopt synchroon met de Franse versie van het minimalisme. Design versimpelt tot een pure vorm-functie-relatie, dit met het oog op een betere productiviteit en doet zijn intrede in de gewone huiskamer maar ook in vitrines als artistiek object. Supermarkten kiezen een huisstijl, reclameaffiches duiken op, de pop art ‘made in France’ is overal en gaat vaak verder dan het uitgangspunt van de stichters van deze beweging.

Unemployment became menacing. The presence of immigrants from former colonies, who had significantly contributed to the European states’ reconstruction efforts in the 1950s and ‘60s, was questioned by emerging nationalisms. In the 1980s, chain stores, brands, hypermarkets and throwaway fashion reconfigured urban centres and peripheries, as well as national borders. Certain industrial activities abandoned at the profit of others testified to various painful transitions. However, their architectures remained, with fascinating, imposing ruins prefiguring the industrial wastelands to come. While being criticized for failing to sufficiently share its prosperity and influence with the community, manufacturing did contribute an imagery, a powerful cosmogony that continued to fuel artistic creation, providing a certain symbolic value system uniting both worlds. Thanks to the media boom of the press, radio and television, visual and musical cultures occupied the heart of a new effervescent ART & INDUSTRY dynamic, at once dematerialized, counter-culture and globalizing in nature. At the same time, performance-based forms and audio-visual installations boomed.

Nieuwe moderne steden schieten uit de grond vanaf de jaren 60 en vermenigvuldigen zich in de jaren 70. Het nieuwe urbanisme heeft een belangrijke artistieke kant. Maar als de jaren 60 aflopen en de zeventigerjaren zich aankondigen slaan heel wat artistieke en architecturale projecten om in een kritiek op de cultuur die hen heeft grootgebracht: de massaconsumptie en zijn massamaatschappij. De nieuwe beelden voeden zich door te laten zien, door te bevragen in een vorm van satire. De moderne goesting naar alsmaar groter wordt op de korrel genomen. De grote projecten zijn poelen van anonimiteit, van nivellering, van uitwissen van verschillen. Merken en nieuwe managementmethodes, het onder de knie krijgen van allerlei fascinerende vormen van telecommunicatie verwijzen naar de Verenigde Staten, het land dat de nieuwe moderniteit naar ons heeft gebracht met het Marshall-plan dat Europa na Wereldoorlog 2 heeft doen herrijzen. De tertiaire sector neemt de bovenhand op de traditionele arbeiders- en boerenlogica. De kunstwereld volgt deze evolutie in zijn relatie met de industrie. Werkloosheid wordt een bedreiging. Zij die kwamen uit onze oude kolonies om hier het wonder van de jaren 60 mee mogelijk te maken, de migranten die geholpen hebben bij de wederopbouw van Europa worden in een negatief daglicht gesteld, het nationalisme is in opmars.

In de loop van de jaren 80 grijpen de merken, ketens en supermarkten van de wegwerpcultuur in in het stedelijke landschap, ze doen onze nationale grenzen vervagen. Oude industriële takken moeten plaats maken voor nieuwe, maar de oude gebouwen blijven staan en de nieuwe grandioze ruïnes vormen een bijzonder fascinerende wereld, urban exploring wordt geboren. De machteloosheid van een gebouw dat ooit een toonbeeld was van de industriële vooruitgang, fascineert. Dit machtig universum blijft smeken om aandacht van de kunstenaar, kunst en industrie versmelten in een nieuwe symbolische eenheid. De beeldcultuur, de muzikale cultuur, de enorme boom van de media – de pers, radio, televisie – vormen een nieuwe dynamiek die kunst en industrie, gedematerialiseerd, in tegenstroom en globaal, doen sprankelen. Tegelijk ontstaan ook nieuwe technische mogelijkheden, video- en geluidsinstallaties komen binnen handbereik. De val van de muur in 1989, een moment dat heel Europa heeft meebeleefd via het kleine scherm, doet de hele internationale orde omslaan. Een nieuwe historiek, een nieuwe aardrijkskunde doet de Koude Oorlog verdwijnen. Nieuwe geo-politieke, ecologische, technische kwesties duiken op, een nieuwe uitdaging voor onze geest. Het koppelteken tussen kunst en industrie, dat is het Gigantisme.

Keren Detton, Géraldine Gourbe, Grégory Lang en Sophie Warlop