HOOFDSTUK 2 : OP ZIJN AMERIKAANS

Gilbert Delaine, stichter van het LAAC, dat aanvankelijk “Museum voor Hedendaagse Kunst” werd genoemd, hield ervan om het industriële landschap van Duinkerke te vergelijken met de Amerikaanse vlakte van de Far West. In de jaren 70 gooit de komst van de metaalindustrie heel de haven van Duinkerke ondersteboven. De nieuwe ‘captains of industry’ worden door Delaine gestimuleerd om mecenas te worden. Kunstenaars zoals Arman, César, Mathieu, Télémaque, enz. Delaine nodigt kunstenaars uit richting Duinkerke. Dit avontuur uit de jaren 70 rond de bijzonder figuur van Gilbert Delaine vormt de basis en het model voor GIGANTISME —KUNST & INDUSTRIE. Dit levende erfgoed (de collectie van het LAAC, de verhalen en ervaringen rond dit museum) overziet een periode van 1947 tot 1989, het verhaal van deze visionaire historie en de situatie binnen een Europese context. Het brengt ons terug naar de tijd dat alles mogelijk was; de succesmomenten (waarop het soms lang wachten was), de mislukkingen die soms mythische proporties aannemen, denk maar aan de Concorde (enig (samen met de Tuypolev TU 144) supersonisch vliegtuig voor passagierstransport waarvan slechts 20 exemplaren zijn gebouwd tot in 1979).

De tweede Wereldoorlog, maar ook alle andere oorlogen die volgden (koude oorlog, oorlog in Indochina, Algerije, Vietnam, Korea) hebben hun sporen nagelaten in het werk van kunstenaars vanaf de jaren 50. Ook nieuwe materialen duiken net na hun uitvinding op in de wereld van de kunst (De Nieuwe Realisten).Gérard Deschamps, na zijn militaire dienst in Algerije, hergebruikt dekzeilen van het Amerikaanse leger voor grote monochrome werken. Deze dekzeilen en andere tentzeilen duiken opnieuw op in het werk van onder andere Claude Viallat. Industrieel materieel wordt grondstof voor de kunstenaar – materiaal dat niet bedoeld is voor de kunstenaar en toch dient als inspiratie – en zo ontstaat iets wat buiten het traditionele Franse canvas valt, abstracte schilderkunst op een raamwerk gespannen.

Arman was een Franse Marinesoldaat tijdens de oorlog in Indochina en zal bij zijn terugkeer in zijn werk en doorheen zijn loopbaan blijven oproepen tot vrede tussen de naties. Soms klinkt een vreedzame oproep, soms een woedekreet dat het goed gepland uitmoorden van de massa blijft duren. Zijn focus gaat verder ook naar technologie en vooral de gemotoriseerde militaire voertuigen die onder impuls van het Marshall-plan een nieuwe functie krijgen. De automobielindustrie is een van de voorbeelden waar militair materieel uiteindelijk voor de mens wordt ingezet. En zo duikt deze technologie ook op in het werk van de kunstenaar. Autolak bedekt vanaf begin de jaren 60 de pré-popwerken, monochromen « made in France » (Bernar Venet), stukken van Renaultauto’s worden sculpturen (Arman), plastische industriële elementen zetten uit. Getekende of geschilderde mechanismen vermenigvuldigen zich dankzij Jean Dewasne.

De fabriek als universum (waarin werk verdeeld wordt over verschillende posten, waar nieuw materiaal en gereedschap opduikt, waar seriewerk de regel wordt) gaat ook de kunstenaar beïnvloeden.

De uitdaging van GIGANTISME — KUNST & INDUSTRIE is om Duinkerke helemaal te veranderen, een nieuwe invulling van de stedelijke omgeving. De openbare weg wordt het speelterrein van kunstenaars, architecten en ingenieurs. Takis laat zijn lichtgevende en kinetische sculpturen de publieke ruimte en de nieuwe stad veroveren. Nicolas Schöffer « dynamiseert de ruimte » met zijn lichtobjecten en zijn technologische toren. François Morellet minimaliseert en formaliseert een lichtgevend signaal. Tussen kunstobject en gebruiksvoorwerp vervaagt de scheiding. Ruimte wordt plaats voor ontspanning voortgestuwd door kunstenaars zoals Robert Malaval, Niki de Saint-Phalle, Christo, Guy Rottier… Europese en Amerikaanse kunstenaars (Brion Gysing) herdenken zo het concept museum. Kunstenaars-architecten bedenken nieuwe woonvormen: transparant, vliegend, onder de grond. De enige limiet is de hemel (en dan nog). Maquettes worden in het werk van Piotr Kowalski kunstobjecten die een ander licht werpen op een vreemde wereld of op de wereld van morgen. Tot 1972 waren we er nog van overtuigd dat de mens op eigen kracht de wereld – ten goede – zou veranderen.

Het lijkt daarom nodig om op zoek te gaan naar een gemeenschappelijke beeldtaal, zichtbaar aan het raam, bij de uitgang van gebouwen of autowegen, van op de maan, vanuit de hemel. Een heel semantisch universum op zoek naar nieuwe betekenis, zoveel verschillende visies van verschillende kunstenaars : Jacques Villeglé, Matt Mullican, dichters Isidore Isou, Roland Sabatier et Bernard Heidsieck, of grafisten Jean Widmer en Roy Adzak.

Nochtans bedreigt een dergelijk ongeremde vooruitgang ook onze diversiteit. Willen we allemaal hetzelfde worden, laten we onze beweegruimte robotiseren? Laten we ons anders-zijn vervagen? De techno-maatschappij waarin we leven sinds de jaren 70-80 wordt steeds sterker. De inzet voor « KUNST en industrie » wordt gigantisch.

KD, GG, GL en SW